Mozes, doortocht door de woestijn

Veertig jaar trokken de Israëlieten door de woestijn. Mozes was hun leider. Ze maakten goede en slechte dingen mee. Zo gebeurde het dat ze geen eten hadden. De Israëlieten begonnen te mopperen: "Waren we maar in Egypte gebleven. We moesten daar wel hard werken en waren niet vrij, maar we hadden er tenminste voldoende te eten. Hier zullen we sterven van de honger!"

Mozes bad tot God. De volgende morgen was de grond bedekt met witte korrels, die naar honing smaakten. "Wat is dat?" vroegen de Israëlieten. Mozes antwoordde: "Dat is het brood dat God jullie te eten geeft. Het komt uit de hemel."

Elke dag gaf God het manna dat ze nodig hadden.
De dagen gingen voorbij. De Israëlieten trokken moeizaam door de woestijn. Ze begonnen te klagen dat ze geen drinken hadden.

Opnieuw bad Mozes tot God. God zei: "Pak de stok waarmee je op de Nijl hebt geslagen. Ga naar het Horebgebergte en sla daar op een rots.
Mozes deed wat God hem vroeg. Hij sloeg op de rots en er kwam water uit!
Elke dag gaf God het water dat ze nodig hadden.

Op en dag werden de Israëlieten aangevallen door het leger van Amalek.

Mozes zei: "Ik zal op de heuvel gaat staan. In mijn hand hou ik de stok die God me gegeven heeft."

Mozes stak zijn armen in de lucht.

De Israëlieten wonnen.

Maar van zodra Mozes moe werd en zijn armen liet zakken...

... won het volk van Amalek.
